zaterdag 10 september 2011

En de bloemen zijn voor mij

Samen genieten van de nadagen van je leven, als je dat perspectief met iemand kunt delen, ben je rijk, zoals ik rijk ben, kijk maar mee:
Dit is José, wachtend op de anderen op mijn galerij, ze draagt bloemetjes voor de gastvrouw, die ongeduldig maar blij op iedereen staat te wachten in de deuropening.
Ja hoor, ze naderen al, de heren, met een lach op de gezichten. Dat belooft vreugde voor vandaag, de 7de september 2011.

Als dit geen vrolijke bezoekers zijn, dan weet ik het niet meer. Louis, Frans en José, een heerlijk drietal dat elkaar verstaat. En de bloemen? Die zijn voor mij.

Na de koffie met de ontdooide tompoucen (waarom schrijven ze tompouce met een ouce achteraan? Tompoes vindt ik logischer geschreven, maar ja) verzonnen we iets anders te doen: pannenkoeken eten in de Duivelsberg, ofwel op De Duffel. We reden mee in de Lancia van onze vrienden. Ik ben dol op die wagen, hij is een en al schoonheid en perfect van lijn. Nu zaten we er gevieren in, een leuke bezigheid, ook al omdat Louis een veilige chauffeur is. Na de pannenkoeken - die van mij was veel te groot - wandelden we voorzichtig een stukje de traa in, en stopten bij het bord richting de trap naar boven, waar José even een kijkje nam en er het grensland onder zich schouwde.
We hebben de torretjes, die bedrijvig op pad waren, voor onze voeten gespaard; ze waren glanzend zwart en mooi van vorm, en ze wonen daar in het bos, precies waar ze thuishoren.

Frans heeft ons graag gedrieën gekiekt, zo staat de gastvrouw ook op de foto. Ik vind het een prachtige herinnering, zeker voor mezelf.
En dit is een plaatje van twee bijzondere mensen die we zeer hebben leren waarderen in de loop der tijd. Waar de kwaaie deur dicht ging, ging de allerbeste deur open. Zo werkt het in het leven. Alleen zulke mensen die elkaar in het levensechte herkennen, kunnen vriendschap sluiten. Zij die onbegrip en afgunst aanhangen, vallen onontkoombaar af. Dat vertelt de praktijk van het leven zelf.

Omdat ik die morgen thuis vergeten was hun een lekkere latte aan te bieden - ze kregen schrale koffie mocca zonder schuim - reden we door naar Het Jachtslot om te trakteren én voor de gezellige afronding van deze heerlijke middag. De drie poseren hier, klaar voor vertrek.

Terwijl José nog even rondkijkt en de heren klessebessen, poseert Louis een leuke stand met zijn bodywarmer achterwaarts: het staat zo wel, hè? Frans kijkt in de camera en dit is het pittige resultaat.
En daar was José. Dit zijn de plaatjes ter herinnering aan die heel mooie dag waarop we samen mochten zijn. Dank je wel! Ik heb van jullie genoten.
Ine, 10.9.2011

donderdag 8 september 2011

We halen elkaar toch in

Bezig op de computer 7.9.11

Ik merk het steeds vaker: ik ben zorgmoe. Of het fenomeen een medische naam heeft, weet ik niet, maar dat de zorgmoeheid bestaat, weet ik van mezelf en van de herinneringen uit mijn verleden.

Ik herinner me hoe mijn moeder in haar late jaren de onrust zelf was als er iets te gebeuren stond, bijvoorbeeld een bezoek, een verjaardag of een nog groter feest. Dan sliep ze slecht en was ze kummelig. Ik begreep dat nooit. Mijn ouders waren veertigers toen ik geboren werd, dus in mijn beleving waren ze al oude mensen toen ik een tiener was. En toen ik uitvloog, waren ze bejaard en trokken ze van Drees. De meeste mensen uit die tijd hadden tijdens hun leven veel aan onzekerheid doorstaan.

Vooral mijn moeder, die door de de oorlog een angstig wezen was geworden, leed op oudere leeftijd aan de ongewisheid van de vele grote en kleine dingen in het dagelijkse bestaan. Haar kroost was prachtig uitgevlogen en gesetteld, de oude dag was een weldaad, vader en moeder woonden in een heerlijk huis. En toch. De innerlijke onrust beheerste haar bij de minste verandering in de dagorde, een verschijnsel waar ik helemaal niets van begreep. Toen nog niet.

Nu, vooral na de twee moeizame jaren vol onverhoedse zorg voor mijn naaste mens, merk ik aan den lijve hoe belangrijk een dagorde is als je ouder wordt. Ik zie telkens weer vrolijk en blij uit naar een leuke, mooie gebeurtenis en betrap me erop hoezeer tegelijkertijd de onrust in me opstaat en in zijn greep houdt. Mijn nachten zijn dan lang en mijn dagen zijn dan kort. Ik leef omgekeerd. En als het feest, of het blije moment, plaatsvindt, loop ik op mijn wenkbrauwen. Afgebrand. Belachelijk gewoon.

Mijn moeder had het, de moeder van Boddevin had het, en ik begin eraan te lijden, ik heb het dus ook: die ene, rare onrust van de oude dag. Vannacht overpeinsde ik het fenomeen weer eens en probeerde voor de zoveelste keer te achterhalen welk mysterie eraan vastzit. Denkelijk dit:

Ik ben zorgenmoe, zorgmoe, moe van alle zorgen. Je leven stond er bol van, en je laatste periode moet er vrij van zijn. Dat is de voorwaarde van het ouder worden als je gerust nóg ouder wilt worden: er mogen geen zorgen meer zijn. Ik noem het 'de oogst genieten', de oogst van alle geploeter in de tijd toen je alles nog aankon. De tijd van zorgen en van werken is voorbij, als het goed is, treedt de rust in. Je hebt nu de vrijheid, je hebt nu de ruimte om datgene te doen waar je al heel lang van droomde. En je doet het. Met liefde. Met inzet. Er is volop perspectief.

Maar je hebt niet gerekend op een verminderd incasseringsvermogen, niet op de geringere daadkracht, niet op de moeheid van al die lange jaren die je hebt doorleefd en die je lijf beheerst. Je moet je, opnieuw, instellen op wie je nú bent en op wat je nog kunt of niet meer kunt. Een mens kan nog heel lang kwiek zijn, maar niemand ontkomt aan het strikte karakter van de oude dag.

Maar ach, wat geeft het? Als ik slaap door de nachten en wandel door mijn dagen, ben ik de rijkste mens op aarde. Maar die verdomde erfenis van de herinnering en de plaag van die moeheid van het leven gaan onverkort met me mee. Ik zag het aan de moeders die ik noemde en begreep het toen niet. Nu des te beter. Dat begrip is de kracht van de generatiekloof. We halen elkaar tóch in al hadden we ook dát nooit verwacht.

I.V. 9 september 2011

maandag 5 september 2011

HET IS DE FUN

Die ene, geestkille avond in maart voelde ik me wel bijzonder beroerd. Ik sjokte niet zozeer met mijn ziel onder mijn arm, nee, eerder lag ik met die ziel overhoop. Het was de eenzaam­heid. Het gevoel van totale verla­tenheid, dat me opstandig maakte. Ik was gekwetst en zat geïsoleerd in mijn vrouw­zijn. Er was man noch vrouw, vriend noch vijand in mijn nabijheid om tegenaan te pra­ten. Mijn piepkleine woning leek zich meer en meer te ver­smal­len. De muren en lamellen kwamen op me af.

En als pas gescheiden vrouw deed ik toen - voor het eerst na het stuklopen van mijn huwelijk - wat menige pas geschei­den vrou­w blijkens de statistieken pleegt te doen: ik besliste dat ik ging stappen. Mijn normenpakket, mijn hang naar waar­dig­heid liep ik dan nu maar een keertje voorbij. Ik wilde wel eens meer van het leven proe­ven. Deze kuise Susanna ging uit, op stap. Op stap gaan was naar mijn overtui­ging van dat moment trouwens niet alleen voor vaders. Toon Hermans kon de pot op. Het was nu móéder gaat op stap, juist ja. Zo gebeurde het, dat ik die avond in maart als ’n rebellerende akela in mijn uppie door de straten van de stad dwaal­de, op zoek naar een donker­bruin café. En tegenover de Sint Jan vond ik 'n gele kroeg.

Aan de bar trachtte ik professioneel een sigaret te roken. Normaliter rookte ik nooit. Qua­si doorgewinterd en als vrouw van de wereld hing ik half op de kruk volgens mijn fantasie interessant te wezen bij een glas rode martini. Met ijs en citroenschijf. Inwen­dig stiknerveus en zo ongemakkelijk als maar kon, zat ik te hangen. Ik hoopte op 'n jeugdig uiter­lijk en minder rim­peltjes bij het kunstlicht: het aanwezige kroegpu­bliek was aanzien­lijk jonger dan ik.

De cafédeur zwaaide open. Een tafereel ontpopte zich voor mijn ogen, dermate, dat ik mijn bril weer opzette. In mijn ijdele verbeelding had ik deze - achteraf lachwekkend uit de tijd, maar wist ik veel - afgezet voor een beter imago tijdens mijn bezoek aan dit amberkleurige café.

Ik zag een dametje. Althans in nuchtere toestand zou ze hier­voor naar mijn idee moeten doorgaan. Ze droeg een fluwelen hoed met brede rand. De kleuren van haar overvloedige make-up liepen, net als de bonte print van de hoed, door elkaar. Het schilderwerk op het gezichtje had, door het zweet des aan­schijns, de schone geredu­ceerd tot een half­slachtig clown­tje. Ze wist het niet. Ze hing in de armen van haar gezellin, die haar, net iets minder aangeschoten, de kroeg binnensleepte. Ze was ongegeneerd zat en dat wilde ze ook. Ze lalde en bralde: 'We zijn aan het stappen. Wij samen. Ja, we zijn buurtjes!' 'Zij heeft een landhuis in Portugal', lalde de beschermengel van de dronken dame. 'Cootje, twee pils!' In de gele kroeg was het in ene keer levendig toeven. Er was letterlijk beweging binnengeschommeld. Hoe ik het ook bekeek.

De twee laatbloeiers stonden naast me te stoeien en dronken hun blonde biertjes. Mijn bril ging weer af. Ik had het gezien en rookte verder. 'Ben jij hier in je eentje?' gaapte de aangeschoten geleidster mij aan. Nee toch, dacht ik en knikte. 'Hoe voelt dat?' dramde ze. 'Okay', zei ik, pafte met interesse zo’n klassenmerk stok­je-rook-je-dood met mond­stuk, ging verzitten en deed alsof ik dagelijks de kroeg bezocht. Hemel, mijn eerste solostapper­tje! Ik was in feite aan­gaande alleen uit­gaan wereld­vreemd! Wat voelde dat truttig. Voor de veiligheid wendde ik me af.

Ik observeerde de omgeving. De gele kroeg met de kleine kaarslichtjes had een typische sfeer. Een vreemd soort huise­lijkheid, waarin ik iets miste zonder te vatten wat. Overal prijkten de namen van het te promoten bier en de Amerikaanse bubbeldrankjes. Hier zat ik dus nu even niet eenzaam te wezen.

De muziek daverde. Een opstandig duveltje binnenin me schold me toe: 'Ouwe trien, wat zoek je hier? Niks toch! Wil je weer jong zijn? Vergeet het maar!' Ik blijf tóch hier zitten, dacht ik weerbar­stig. Ik ben vrij. Mijn ex zei 'rooi wijf'. Grijs, zal ie bedoelen. Maar dat kon híj niet zeggen: hij was al grijs op z'n vijf­entwintigste. Haha, rooi wijf! Nou en? Mooie boel. Hier ben ik dan: een rooi wijf en ook nog hartstikke katholiek! En híj is weer getrouwd. De sukkel! Getrouwd! 'Cootje, geef me maar een spaatje!' Cootje spoelde 'n glas, deed het mineraal erin en zette het watertje voor me neer.

Co is een pot, signaleerde ik. Duidelijk. Maar ja, wie is tegenwoordig wát? Ik ben hetero, geloof ik, pas gescheiden en ik heb ergens in de verte de verkeer­de lief. Wat is het beroerdste? 'Hé jij, je naam!' brulde de dronken geleidepoes.
'Irene', zei ik maar en dacht: barst jij!
'Irene, drink wat van me.' 'Heb nog!'
'Zeg, niks voor jou, het Vrouwenpodium? Heb je iets te bieden, zing je, dans je?'
'Nee, ik schrijf. Maar hoezo, Vrouwenpodium?'
'Je kan er je ei kwijt, meid! Kom eens kijken. Alleen voor vrouwen! Je hebt iets, ik proef het!' Ze was hoopvol gestemd.
Ja, ik had wel iets. De p in. En veel, heel veel verdriet. Ik lachte mijn liefste lach, want ze zei het immers: ik had iets. En dat was nú een podiumsmile. Alvast als generale repetitie.  

Daar kondigde de dronken dame met de fluwelen hoofdtooi aan dat ze verderop in de straat even shoarma ging eten en waggel­de vervolgens de kroeg uit. 'Brood­je kapot schaap' zei ik en herin­nerde me ene Karin uit het ‘ge­sticht', zoals die spottend het rusthuis placht te noemen, waar ze tegelijk met mij een poos gele­den verbleef. Zij was dol op broodje 'kapot scha­ap' en alvorens ze in de schapenhap beet, opperde ze ge­heid, als 'n soort gebedje, haar verta­ling. Vervolgens at ze smake­lijk, die magere Karin. Ze was brutaal grappig, dat wist ik ook nog. 

De poes kwam naast me staan. Ze ging gewichtig doen, iets wat altijd al averechts werkte bij mij. Quasi-intellectuele ver­moeienis was een van de redenen waarom ik nooit op langdu­ri­gere termijn bij iemand koffie had gedronken tijdens mijn dertig diepgevro­ren huwelijksjaren. Bovendien verafschuwde ik opge­fokte situa­ties met semi-inte­ressante gesprekken waar fat­soenshalve bij kwam, dat ik voort­durend recht in de houding moest zitten. Ik was er, denk ik, gewoon te lui voor, of te moe, of te onconventioneel. Als ik als gaste mijn voeten niet kwijt kon onder m'n achterste op bank of stoel voelde ik me gewoon niet thuis. En mede hierdoor ging ik ongemerkt en steeds eenzamer als huismus met pre­tentie 'eigen haard is goud waard' door mijn moeizame leven. Want bij de meeste mensen moesten de voetjes op de grond. 

'Clapton', zei de poes. Zonder airtje leek ze me wel aardig.
'Irene', hield ik vol. 'Nee, de muziek! Hij zingt', verklaarde Poes. 'Dansen?' 'Goed hoor', ik oversteeg mezelf en dacht aan de boerenvrou­wen die vroeger tijdens de ponyclubfeestjes van mijn dochter, baasje van het bruin­zwarte hengs­tje Pepijn gedurende haar jeugdjaren, zonder gêne samen dansten. Pure on­schuld. Maar nu wist ik het niet.

'En hoe heet jij?' 'Henny', zei Henny.
En zo danste ik met Henny. In een gele kroeg. Met mijn vijftig jaren, een getrouwde ex-man, een onbereikbaar kleinkind, een afstandelijke zoon. En met een door het leven en papa beetgenomen dochter ver weg in Scandinavië. En met een, door institutionele regels bepaald, onbe­reik­bare vriend, ergens in de verte. Aan ellende geen gebrek. Al dansend flitsten spooksels op als flashlights in een disco: relaties die een spoortje zinnelijkheid in zich dra­gen, zijn voor gescheiden mensen verboden door de prelaten. Volgens zeggen in naam van God zelf. Innige vriendschap na je scheiding mag niet van mijn Kerk. Waarom stap ik daar niet uit? Het leven is zonder die genadeloze regels al moeilijk genoeg. Ach, simpel toch: ik houd van die Kerk. Wat een trage­die. En dan heb je nog die jehovagetui­gen die al een hele poos jacht op me maken! En mijn verstoorde identiteit: Irene, Inge, Linel Hest. Hoe heet ik echt? Maar goed, als ik wil, als ik dat helemaal zelf wil, ga ik het veld in. Bij­bels vertalen. De blijde bood­schap vertel­len. Welke blij­de..? Hemeltje, zeg. Wat 'n warboel in mijn hoofd. Wat een drukte in mijn brein! En waarom? Ik dans, warempel! Dus blijf bij je dans!

Henny legde haar hoofd voorzichtig tegen mijn schouder. Wat was ze fragiel. Ik dwong me mijn preutse verlegenheid te overwinnen en concentreerde me op dit moment. Ik danste en dat stond ik me toe. Ik mocht van mijzelf nu hier zijn. Ik mocht er even bij horen. De gele kroeg had toch wel iets. Dat in elk geval! Er hing een zekere Henny om mijn hals... 'Mooi liedje, hè?' Ze neu­riede zachtjes mee. 'Ben jij ouder dan ik?' Ze was zo rechtstreeks! 'Weet ik niet', ontweek ik. Verdorie, dit was shit! Vijftig. 'Hoe vertel ik het mijn kind?' Morgen naar de kerk. Lezen, ben vaste lector. Nu in de kroeg. Frivool dansend met een pot. Hoe rijmde ik dit? Was ik nou scrupuleus of hypo­criet? Of gewoon een mens als alle anderen?

'Hé, was het lekker?' De dronken eigenaresse van het Portugees landhuis kwam teruggezwabberd, brabbelde dat het broodje eetbaar was geweest en verkondigde met driedubbele tong dat ze nu echt huiswaarts moest. Ze wist daar haar man en kindjes. Bovendien voelde ze zich misselijk. Ze was simpelweg dronken. Ik zag de grimmige kater al loeren in de ochtendstond. Ze vertrok. Een naamloze chic, die ik waarschijnlijk nooit zou weerzien. De rand van haar fluwelen hoed leunde tegen één oor en het geblondeerde haar hing slier­tig uit model. Zo zwalkte ze met de her en der verlopen bonte kleurtjes op haar snoet de deur weer uit van de gele kroeg.  

'Mijn moeder gaat dood', zei Henny. 'Ik woon samen met Lidia. Ik houd van Bonnie en mijn moeder gaat dood. Lidia biljart nu. Lidia biljart altijd.' 'Ga dan bij haar weg', merkte ik op. 'Ik doe het Vrouwenpodium', zei ze, 'kom je ook? Het is fan­tastisch. Niet feministisch, hoor. Ook niet helemáál lesbisch. Gewoon, aller­lei... Ha, dag lieverd!' vloog ze plots een wel erg jong jongetje om zijn smalle halsje. Knuffeldeknuf. 'Fun', riep Jongetje. 'Fun! Henny, die roze week in Maastricht! Klasse! Gaan we dit jaar weer naar de roze feesten?' 'Tuurlijk, schat­je', tuttelde Henny. Typi­sche knul, dacht ik en kocht geforceerd nog een pakje Dunhill: 'Si­garet?' Henny deed een graai en hield Jonge­tje vast. 'Ze is zo lief', ver­klaarde mijn nieuwbak­ken vrien­din, ter­wijl ze haar aansteker aanjoeg. 'Ze?' O, weer iets nieuws. Ze. Geen jongen dus. 'Het is de fun, hè, de fun!' riep Ze. 'Jaja, het is de fun', knikte ik. Henny legde haar sigaret neer, liet Ze los, sprong over­eind en trok me van de bar­kruk. We dansten weer. Ik was ver­bouwereerd en pro­beerde dat te verber­gen. Wat een wereld! Hier kwam ik niet uit: vrouwe­lijke manne­tjes en manne­lijke vrouw­tjes. Maar goed, dit was niet mijn pro­bleem. En ik was nu eenmaal toch ter plek­ke... en we dansten rustigjes verder.

Zoetjesaan liep de gele kroeg leeg. Ik bestelde nog een marti­ni. Weer een rode, als symbool voor mijn wijze van vrouw­zijn. Ik proostte op mijn ex en op rooi wijf: mijn hart huil­de. God was weer eens ver weg en mijn Kerkje leek me onwaarach­tig in dit oord van drank, erotiek en oorverdovende muziek. Ik dacht aan mijn onbereikbare vriendschap, ginder, heel ver weg. Henny kletste tegen me aan en ik knikte en schudde met mijn hoofd, al naargelang. Ik luisterde terwijl ik besefte, dat ik haar net zoveel te bieden had als zij mij: helemaal niks. We zaten samen in de kroeg met hart­zeer, eenzaamheid, met zielenpijn. We hadden ieder ons eigen verhaal.

De andere vreemde vogels waren nu allemaal vertrok­ken. Het was laat. Het lege café weergaf een vreemde, haast akelige sfeer. Henny en ik liepen naar buiten. Tegenover de gele kroeg staarde de Bossche kathedraal ons aan. Hij was de oudste. Henny ging rechts en ik ging links. Zo scheidden zich onze wegen. Terwijl ik behoedzaam terugreed naar mijn piepkleine flat zag ik langs de Zuid Willemsvaart bij een schaars verlicht huis een dodenwagen staan. That's life, dacht ik, dead and no fun. De volgende ochtend schreef ik, ietwat cynisch:
Lentenacht

In de zwarte lentenacht
staat voor het hoge herenhuis
langs de lange vaart
de witte dodenwagen

En in de zwarte lentenacht
leggen witte heren
het levenloze lichaam
van de heer van het herenhuis
neer in de witte wagen
en rijden langs de lange vaart
weg van het hoge herenhuis

Dag mijnheer!

Tussen bloesemtakken staat
langs de lange vaart
dat hele hoge herenhuis
statig overeind
met gevulde kamers vol
leegte en een erfgenaam
  
Gecondoleerd mevrouw!

Ik overpeinsde opnieuw mijn dertig voorbije, diepgevroren jaren. Ik dacht aan de dood van mijn schoonpapa, ook dertig jaar gele­den. Aan dat hele hoge herenhuis in de stad, waar ik vele lange en bange jaren had gewoond met mijn lieve gezinnetje. Zoals de avond ervoor in de gele kroeg flitsten ook nu weer over­wegend de nare herinneringen op. De drank, de muziek, het dansen, het had allemaal niets opgelost. Het leven moest geleefd. Precies zoals het zich aankondig­de. Ik kon schaven, hakken, beitelen, schilderen en kleuren bedenken; ik kon huilen en lachen, ik zou het leven, als elk ander mens, helemaal zelf moeten doen. En alleen.

Vreemd, dat jongetje bleek een meisje te zijn. Symbool? Syno­niem? Geen idee. Wat een nacht. Wat een levendige beproeving. Wat een klater­goud ook, die gele kroeg... En die witte wagen van Skelet langs de vaart was als het askruisje op de vastenwoensdag na carna­val. Leven en dood hand in hand. Gelijk humor en verdriet, onaf­scheidelijk met elkaar zijn verweven. O, heerlijke onschuld. Kon ik roepen: 'Het is de fun!’ © Ine Verhoeven 1993

zondag 4 september 2011

Een kras bezit

Zoveel rijpe eikeltjes als ik dit beginnende herfstseizoen 2011 op onze wegen tegenkom, kan ik me niet heugen. Tik, pats, klets, klonk het in alle toonaarden op het dak van het terras van de dorpskroeg in Herpen. We zaten daar omdat ik honger had, een lelijk woord, maar het was zo. In een van de zalen van de kroeg was een feest gaande. Er kwamen burgers en boeren langs het terras, ze waren keurig in pak gestoken; hun vrouwen droegen statig de prijzige kleding van Van Tilburg te Nistelrode. Het was herkenbaar. Men was opmerkelijk bepakt met bloemen en cadeaus en baande zich een weg tussen de vallende eikels door. Opgepast, anders glijd je nog uit over de vrolijkheid van de herfst.

Op het dorpsplein stonden drie fietsers op leeftijd die op de foto wilden, een dutsel verstoorde breeduit met haar kiektoestel het daar parkerende verkeer doordat ze voor zichzelf wel erg vrijelijk de ruimte nam, maar ze hadden het geen van vieren door. We lachten maar eens om de trotse snoetjes van de oudjes met hun fietsen, een kras bezit van wijsheid voor de ledematen. Je hoeft niet uit de stad te komen om dat te weten.

Dit tafereel was gisteren. Vandaag zag ik vanaf het balkon hoe op het schoolplein achter de flat de ontelbare eikels in de tjokvolle bomen hangen. Het is iets te ver weg om hun val te kunnen volgen, laat staan te kunnen horen. Maar het is uitermate genieten van dit seizoen dat juist door de zomerse regen en de dito zonneschijn zoveel goede vruchten geeft. In onze tuin in Langenboom hangen de appels en de peren tot berstens toe in de afgeladen bomen, terwijl ook de geliefde notenboom ongekend rijkelijk met zijn noten is uitgedost. Ik kan me voorstellen dat er een Madammekes-Gedoe plaatsvindt op de 17de. Je voortbewegen met je soortgenoten in jurk met hoed tussen de oogst van het land in deze rijpe nazomer, moet toch wel verrukkelijk zijn. Ik ga er niet naartoe. Ik zou maar een oud madammeke zijn tussen het jonge grut van 2011. Hoewel...

Boddevin zag gisteren een witte poes in de tuin. Hij kon er geen vlekje aan bespeuren, ze was helemaal wit. Alsof ze zich haar status van reine dame bewust was, wierp ze een steelse blik naar hem en verdween om de hoek van de woning van zuster Herma. Weg was ze. Dag witte poes. Maar hij had haar wél gezien.

Deze zondag heb ik na de middag alleen nog maar geslapen. De druk door de zorg voor de gedichten, voor het boek, maar ook door de zorgjes voor de beslommeringen van morgen werd me even te machtig. Ik droomde een bizarre droom. In de hoofdrol speelden enkele vrienden van vroeger. Het was een niet-kunnen-vindendroom, kriskras rijden, lopen en zoeken in een stad die ik niet ken, met feestende mensen en oude bekenden die me in werkelijkheid niet meer aankijken, maar me in de droom wel zagen staan, me aanspraken en zelfs hielpen met mijn auto te zoeken - hij was en bleef onvindbaar.

Toen ik wakker werd, was ik niet verkwikt, maar uitgeputter dan voorheen. Enfin. Ik ben het moezijn gewend. En in mijn oude poëziealbum staat nog altijd te lezen: Geen zorgen voor morgen, beveel ze aan God, wees heden tevreden en dank voor je lot. Het was geschreven door de juffrouw van de 2de klas van de lagere school. Ik vond haar destijds niet echt aardig. Maar dat is een heel ander verhaal.

Wat heeft een mens veel te denken in zijn dagen! Zou er iemand bestaan die zijn gedachten kan stilleggen? Kom nou niet met yoga op de proppen, want ook yoga heeft zijn beelden en gedachten. Weet je wat? Ik leg me er bij neer. Om tv te kijken, dan volg je maar een keer de droom van de ander. Eens kijken wat het vanavond weer brengt.

4.9.2011



donderdag 1 september 2011

Bizar in veel te veel


Gisteren was een bizarre dag. Eerst werd de afspraak met en bij de notaris afgehandeld. Deze notabel praktiseert naast De Gouden Leeuw, waar ik derhalve rap heenging na afloop.

Binnen stond een dubbele kinderwagen met twee slapende babymeisjes erin. Aan de tafel zaten hun vader, moeder, oma en opa, dat was klaar. Het viertal zat zwijgend aan de taart, heel gemanierd. Ik bestelde thee en wachtte op S. die me volgens afspraak in Grave zou ontmoeten en meteen mijn balkontafeltje mee zou brengen dat ze thuis voor me in elkaar had gezet. Ze is gek op Grave - van mij afgekeken.

Toen ging de deur open en een twintigtal wielrenners op leeftijd kwam kakelbont gekleed op de koffie. Het hele span zette zich aan de stamtafel, waar het thuishoorde. Tussen de laatste drie coureurs schoof S. naar binnen, viel bijna over haar eigen voeten en zat plof naast me neer. Leuk. Gezellig. Jazeker wel. 'Ben je er allang?' vroeg S. Ik gaf geen antwoord vanwege het rumoer van de mannen. De tweeling was wakker geworden, sipte even maar huilde niet door. 'Een eeneiige tweeling!' zei S. vertederd. 'Huh? Hoe kom je daar nou bij?' vroeg ik verbaasd. 'Dat zie je toch!' zei S. stellig, 'het zijn toch twee meisjes! 'Wat heeft dat ermee te maken? Nee hoor. Het is geen eeneiige tweeling! Dát is wat ik zie! Ze lijken ook helemaal niet op elkaar!' hield ik vol. 'Het is wél!' zei S. 'Mevrouw, is het een eeneiige tweeling?' vroeg ik dommetjes, want ik moest S. zien te overtuigen. 'Nee hoor, het is een twee-eiige tweeling,' zei de moeder en keek verrukt naar haar kindjes. 'O,' zei S. en zweeg een moment. 'Vergissing, ik heb het altijd zo geleerd.' 'Dat was dan fout geleerd of fout begrepen,' zei ik nog. Ik was er moe van.

Het was iets te druk in de kroeg, we gingen liever buiten zitten, de zon scheen schraal maar hij scheen. S. nam haar kopje mee, struikelde weer terwijl het lepeltje van het bordje op de grond viel. Ze bukte met haar handen vol om het lepeltje op te rapen. 'Doorlopen, dat komt straks wel,' zei ik resoluut, ook het een en ander torsend. We zegen neer op het terras en wisten ons op de Markt in Grave, zittend in de zon bezijden de lindeboom. Na de bananensoezen die S. nergens zo lekker eet als in Grave - kopie van mijn slogan - wilde ze nog ergens met me lunchen. Ik stelde voor haar auto te laten staan en bij mij in te stappen en mee naar Cuijk te rijden, dan zou ik haar na de lunch terugbrengen naar haar auto en kon ze vandaar rustig naar huis gaan. Ze twijfelde. Ik zou het tafeltje voor op het balkon niet alleen kunnen dragen, dacht ze. Natuurlijk wel, ik had het zelf gekocht en eigenhandig meegenomen. Dat was dus kul. Enfin. Dan niet.



We reden middels de tomtom via Velp richting Ravenstein, toen we bij de smalle dijk langs de Maas omkeerden, vooral omdat ik met mijn onbarmhartig opspelende hoofd daar nú niet overheen wilde rijden. Het wekte verwarring, we reden kriskras, de tomtom wist het ook niet meer. Een tractor moest stoppen toen S. stopte omdat ik stopte. Daar gingen we weer, wie weet waarheen, totdat we in een Velpse straat uitkwamen met op de hoek een bakkertje. Ik stopte alweer, nu voor de zekerheid: om iets hartigs te kopen, ik voelde mijn maag en tegelijk voorvoelde ik dat de lunch van S. wel eens niet door zou kunnen gaan. Met geurige saucijzenbroodjes, verse bolussen en een gesneden veelzadenbrood op de achterbank reden we verder, S. achter mij aan. We zouden naar Nijmegen rijden en bij mij lunchen. Ook leuk en gemakkelijk.

Onderweg bedacht ik me. Ik wees wachtend bij het rode licht naar S. dat we over gingen steken en met het raampje open en de auto half geparkeerd langs de stoep en op de straat riep ik: 'Poort van Cleve!' Compris.

Maar half Grave ligt opengebroken. We reden ons klem. Ik stond rap veilig geparkeerd, maar S. zag een vrije parkeerplaats over het hoofd en reed door langs de bouwput, keerde ergens om, wáár kon ik niet zien, kwam terugrijden en zag tot mijn verdriet ook de tweede lege parkeerplaats niet. Weg was ze weer. Ik wachtte en wachtte. Geen S. Wel intussen drie vrije parkeerplaatsen. Toen ik zag en ervoer hoe die drie plaatsen vrolijk werden ingenomen door gemotoriseerde passanten die boodschappen wilden gaan doen, reed ik naar huis terug. S. zou het wel begrijpen. Thuis dekte ik de tafel, schonk sinaasappelsap in, plaatste witte druiven, kaas en krabsalade op de tafel naast het brood en de bolussen uit Velp en wachtte af. De saucijzenbroodjes lagen al warm in de oven toen S. sms'te dat ze eraan kwam. Ze was al bij Nijmegen, schreef ze.

Het duurde en duurde. Wat raar! Ze had allang hier kunnen zijn! Ach ja. Een pondje ongerustheid kon er nog wel bij. Het liep toch allemaal anders, vandaag. Pingpingping, zei de oven. De broodjes waren warm. Ik zette de oven af en de klep open zodat ze niet zouden verbranden. Een half uur later ging eindelijk de bel. Riiiing. Gewapend met het tafeltje en heel lekkere tomaten uit het Groene Hart kwam S., kwiek als altijd, binnengestapt. Onbegrijpelijk. Ik was uitgeput.

Maar toch. Ze kwam niet geruisloos. 'Ik moest helemaal omrijden! En toen weer terug! De hele weg is opengebroken daar!' S. was er ontzet van. Ik snapte haar niet. 'Ik heb geen obstakels gezien,' zei ik verbaasd. 'Ik ben in één keer naar huis gereden.' 'Huh? Dat kan niet! Ik reed me een slag in de rondte, kon geen kant meer op!' 'Waar dan?' 'Als je Grave uitkomt richting Wychen en Alverna!' 'O. Dat klopt. Dan heb je niet op de borden gekeken. Langs de weg staat aangegeven dat je voor richting Nijmegen en Wychen de N moet volgen.' 'Echt niet! Er stond niks aangegeven!' zei S, 'anders had ik het toch gezien!' 'Jij ziet wel meer niet,' zei ik droog. 'Kom maar aan tafel.' Dit gesputter werd me echt teveel. Maar het was heerlijk spul van die onverhoeds nieuwe warme bakker uit Velp. We genoten ervan. Welgemoed reed S. na de lunch naar Boddevin om hem op te halen. Alsof er geen obstakeltje op de weg bestond.

We keuvelden gedrieën. S. had wat problemen met haar oude moeder. We stonden haar bij met goede raad. Het bezoek van 's morgens aan de notaris kwam ter sprake. Ik zei dat ik mijn testament had herzien. En dáár had ik over moeten zwijgen. Ineens bestond er voor haar ook een testament dat ze wel eens kon veranderen. Uit de jaren '80, zei ze. Ja. Sommige mensen gaan als blauwdruk door het leven. S. kan er ook wat van. Bizar in veel te veel.
2.9.2011

zondag 28 augustus 2011

Ina en mijn morgengebed

Tegenwoordig zoek ik vaker dan voorheen mijn balkon op. In mijn isolement is dat het rustpunt voor mijn ziel. In het hoekje tegen de glaswand staat mijn rieten stoel zomer en winter voor me klaar. Naast mijn stoel woont mijn oude vogel in haar open kooi. We hebben het goed. Ze heft mijn eenpersoons leventje op. Als ik niet schrijf, niet aan een boek, gedicht of verhaal bezig ben, dan is zij er, mijn groene schat.  Lorita op 15 augustus 2011

Toen mijn exgenoot in 2007 naar Zweden vertrok, kwam ze weer bij me wonen, onze Lorita, tot mijn verrassing en grote vreugde. Haar oorspronkelijke intrede deed ze in 1973 in ons gezin. We weten niet hoe oud ze was toen ze kwam, ze kon al praten en was tam, dus mensen gewend.
Lorita en Ine in 1973 of 1974
'Ze is een wildvang,' zegt de dierenarts. Het was destijds mode een sprekende vogel te bezitten, dus werden de papegaaien in hun leefgebied gevangen en naar elders getransporteerd om aan de hebzucht van de mens te voldoen. Bizar. Maar ik ben desondanks blij dat mijn vogel weer bij mij woont. Ze heeft het goed, ik waak over haar en zorg voor haar. Dat heft in zekere mate de ernst van de misdaad op die haar uit haar leefgebied heeft verdreven, hoop ik. Want misdadig is het wel. Je kunt er als buitenstaander niets tegen doen, tegen de illegale handel in dieren. De wet heeft mazen. Maar de dieren aan hun lot overlaten, is al even misdadig.

Ik las bij Ina op haar 50plusserweblog hoe dieren in haar contreien worden mishandeld, verhandeld, behandeld. Er bestaat geen barmhartigheid voor sommige lieden. Het enige dat je doen kunt, is goed zijn voor het dier dat op jouw pad komt. Bij Ina lees je hoe je dat doet. Ina is een natuurmens, maar ook een mensenmens. Ze schrijft de ontroerendste verhalen uit haar leven en plaatst ze op haar weblog. Als ik Ina heb gelezen, heb ik altijd stof tot nadenken. Je vindt haar op 50plusser onder de naam Baasje.

Het is een kalme ochtend. Ik zoek nog een poosje mijn balkon op en drink er koffie. Ik breng straks Boddevin een bezoek. De lunch gebruik ik bij hem. Ik zit naarstig na te denken over de dag waarop hij tachtig wordt. Deo volente. Zijn nieuwste boek komt binnenkort uit. Het is een bekroning op zijn leven, maar nog meer op de goede afloop van de zware tijden die achter ons liggen door zijn ziekbed. Ik groet de lezer dezes en ga de zondag vieren. Nee, ik prijs de dag niet voor het avond is. Dit geschrift is voor vandaag mijn morgengebed.
28 augustus 2011